| Nederlandse naam | Latijnse naam | Afkorting | Genitief |
| Orion | Orion. Hindi: Mrig |
Ori | Orionis |
| Zichtbaarheid | November - Maart (aangegeven zijn de maanden waarin het sterrenbeeld om 22 uur boven de horizon staat) voor waarnemers tussen de 85-ste en de -75-ste breedtegraad | ||
| Grootte | In grootte is Orion het 26-ste sterrenbeeld | ||
| Omgeving | Het sterrenbeeld wordt omringd door Gemini, Taurus, Eridanus, Lepus en Monoceros | ||
| Meteorenzwermen | de Orioniden | ||
Gegevens sterren
(Alleen de sterren met een naam zijn opgenomen)
|
Ster |
Naam |
Betekenis |
Helderheid |
Afstand |
| α Ori | Betelgeuze. Hindi: Ardra. Perzisch: Hanjha |
(Oksel van Orion) | 0.43 | 429.2 |
| β Ori | Rigel. Hindi: Rajanya. Maori: Puanga |
(Voet van Orion) | 0.15 | 776.6 |
| γ Ori | Bellatrix | Was een vrouwelijke krijger (westelijke schouder van Orion) | 1.62 | 243.4 |
| δ Ori | Mintaka | Gordel (westelijk eind) | 2.25 | 918.8 |
| ε Ori | Alnilam | Versiersel van parels (Midden van de Gordel) | 1.68 | 1359.0 |
| ζ Ori | Alnitak | Gordel (oostelijk eind) | 1.71 | 825.7 |
| ι Ori | Na'r al Saif | Heldere van het Zwaard (de punt) | 2.75 | 1331.3 |
| κ Ori | Saiph | Zwaard | 2.06 | 725 |
| λ Ori | Heka of Meissa. Hindi: Mrigashira. Perzisch: Hakau | Witte vlek of de schijnende (Orion's Hoofd) | 3.37 | 1069.4 |
| υ Ori | Thabit | Volhouder | 4.59 | 1553.2 |
(klik op de afbeelding voor een kaart met de namen van de sterren)
Mythologie
In het Maori wordt de Gordel van Orion Tautoru genoemd.
Orion is de heerser van de winterhemel. Hij domineert de sterrenhemel vanaf het einde van de herfst tot begin lente. Hij wordt begeleid door zijn jachthond Sirius.
De mythologische vertellingen over Orion gaan terug tot de Hittieten. Hun cultuur kende een bloeitijd van 2000-1200 v.Chr. Ook de Griekse mythen gaan over Orion. Hij was bekend als een fameus jager en geliefde. Hij riep de toorn over zich af toen hij opschepte dat hij wel alle wilde dieren van de Aarde kon verjagen. Het verhaal vertelt dat het moeder Aarde zelf was die de dodelijke Schorpioen op Orion afstuurde.
Tijdens zijn gevecht met de schorpioen besefte hij dat zijn wapens niet tegen het beest waren opgewassen. Hij sprong in de zee en zwom naar Delos. Apollo zag dit en hij daagde zijn zuster Artemis uit om het kleine plekje dat daar ver in zee zwom te treffen. Artemis was een uitstekende schutter en met haar eerste schot raakte ze het object. Toen ze er naar toe zwom om te kijken wat ze eigenlijk had geraakt zag ze dat het Orion was. Ze verzocht de goden om het leven van Orion te redden maar deze weigerden. Daarom zette ze de beeltenis van Orion aan de sterrenhemel. In zijn eeuwige jacht aan de sterrenhemel moet Orion uit de buurt blijven van de Schorpioen. Dit lukt hem heel aardig: tegen de tijd dat Orion boven de horizon uitkomt, verdwijnt de Schorpioen er onder.
De Sumeriërs noemden het sterrenbeeld schaap. In het oude China is Orion één van de 28 zodiakale Xiu en is het bekend als Shen. Letterlijk vertaald betekent dit drie waarschijnlijk naar de drie gordelsterren. In het oude Egypte werden de sterren opgedragen aan de god Osiris.
Orion is erg gemakkelijk aan de sterrenhemel te herkennen.
α Orionis heet ook wel Betelgeuze wat rechterarm van Orion betekent. Betelgeuze is een dieprode superreus. Betelgeuze is ongeveer 250 keer zo groot als onze zon: als de ster op de plaats van onze zon zou staan dan zou de planeet Mars net aan de rond van deze ster komen te liggen. Mercurius, Venus en de Aarde zouden worden opgeslokt door de ster.
β Orionis heet in het Arabisch Rigel. Rigel is de op zeven na helderste ster aan de hemel. Het is een visuele dubbelster. De begeleider is een stuk zwakker maar toch nog zichtbaar voor goede waarnemers. Aan de andere kant van het sterrenbeeld vinden we de sterren Bellatrix (γ Orionis) en Saiph (κ Orionis). Vroeger geloofde men dat alle vrouwen die onder het gesternte van Bellatrix geboren werden rijk en welbespraakt zouden zijn.
In het midden van Orion vinden we de drie gordelsterren: Mintake, Alnilam en Alnitak. Deze drie sterren worden zelfs in de Bijbel genoemd (Job 38.31).
Alnitak (ζ Orionis) is een drievoudige dubbelster. Vlak bij deze ster kunnen we de overbekende Paardekopnevel vinden. Deze donkere nevel is niet zichtbaar in een telescoop maar alleen op langbelichte foto's terug te vinden.
Orion - uit de Uranometrica van Johann Bayer uit 1603.
Orion - uit de Atlas Celeste van John Bevis (ca. 1750)
Orion - uit de Uranographia van Hevelius (ca. 1690)
Orion - uit Urania's Mirror (ca. 1825)
Dubbelsterren
β Orionis heeft een begeleider van magnitude 10,4.
λ Orionis heeft een begeleider van magnitude 5,5.
θ Orionis is een viervoudig dubbelstersysteem.
σ Orionis heeft een begeleider die in 158 jaar rond de hoofdster draait. De baan is niet perfect cirkelvormig. Het is een erg nauwe dubbelster die lastig is te scheiden.
ζ Orionis is gemakkelijker te scheiden. De hoofdster heeft een helderheid van magnitude 1,9 terwijl de begeleider van magnitude 4,0 is en in 1509 jaar rond de hoofdster draait.
Variabele sterren
De enige interessante variabele ster is U Orionis, dit is een Mira-veranderlijke ster. De helderheid varieert tussen magnitude 4,8 en 13,0 met een periode van 368 dagen.
Deep Sky objecten
Messier 42
Andere benamingen: M42, NGC 1976, Orion-nevel
Type Object: emissie en reflectie nevel met een open sterrenhoop
Afstand: 1300 lichtjaar
Visuele helderheid: 4.0
Schijnbare grootte: 85*60 boogminuten
De Orion-nevel is een enorme gaswolk die 20.000 maal groter is dan ons zonnestelsel. Veel veel waarnemers heeft de nevel een enigszins groene gloed. Dit komt omdat naburige sterren elektronen van zuurstof afsnoepen en zo O-III maken. Het hart van de nevel is ook bekend als het Trapezium vanwege de vorm van de vier heetste sterren. Deze sterren maken deel uit van een nog jonge open sterrenhoop In het gas rondom deze sterren vindt nu nog steeds stervorming plaats. Het gebied is uitgebreid onderzocht met de Hubble Space Telescope die in staat is geweest om veranderingen in dit gebied vast te leggen. In het stof zitten proto-sterren verstopt en sterren die net zijn ontbrandt maar nog niet de hoofdreeks hebben bereikt.
M42 is naar schatting ongeveer 23.000 jaar oud, er vindt nog steeds stervorming plaats maar er zijn ook al sterren die aan de zwaartekracht van de nevel hebben weten te ontsnappen. In de Orion-nevel zijn ondertussen 13 gas planeten ontdekt. Ook deze planeten zijn ontdekt met de Hubble Telescope toen men op zoek was naar zwakke sterren en bruine dwergen. Men vermoedt dat de objecten net zo groot of een beetje groter zijn dan Jupiter en voornamelijk uit waterstof en helium bestaan. Het zijn eigenlijk mislukte sterren die niet voldoende massa hebben om tot zelfontbranding over te gaan. Eigenlijk is de benaming planeet ook niet helemaal correct omdat deze objecten niet in een baan om een ster draaien maar zich zelfstandig door de nevel verplaatsen.
Onder donkere omstandigheden is de Orion-nevel eenvoudig te vinden omdat hij zich bij de middelste ster van het zwaard van Orion bevindt. Echter onder een lichtvervuilde hemel is het zwaard van Orion waarschijnlijk niet zichtbaar. Zoek daarom met een verrekijker de drie sterren op die de gordel van Orion vormen en kijk ongeveer een vuistbreedte ten zuiden van de middelste gordelster. De Orion-nevel is groot dus gebruik een kleine vergroting als je de hele nevel wilt zien of een sterkere vergroting als je details wilt bestuderen.
De Orion-nevel werd vermoedelijk ontdekt door Nicolas-Claude Fabri de Peiresc in 1610, ook Johann Baptist Cysatus, een Jezuïet, nam de nevel waar in 1611. Galileo was in 1617 de eerste die de vier Trapezium-sterren benoemde maar hij zag de nevel niet! Waarschijnlijk heeft Galileo een veel te sterke vergroting gebruikt. De oudst bekende tekening van de Orion-nevel is gemaakt door Giovanni Batista Hodierna maar zijn waarnemingen zijn lange tijd zoek geweest. Christian Huygens herontdekte de nevel in 1656, dit werd door Edmund Halley in 1716 nog eens genoteerd. Ook Philippe Loys de Chéseaux nam de nevel op in zijn catalogus en zo deed ook Guillaume Le Gentil. Tenslotte was het Charles Messier die op 4 maart 1769 de nevel als M42 opnam in zijn catalogus. Door de jaren heen maakte Messier diverse malen nauwkeurige tekeningen van de Orion-nevel in een poging eventuele veranderingen vast te leggen.
Messier 43
Andere benamingen: M43, NGC 1982, De Mairan-nevel
Type Object: emissie en reflectie nevel met een open sterrenhoop
Afstand: 1300 lichtjaar
Visuele helderheid: 9.0
Schijnbare grootte: 20*15 boogminuten
M43 is een diffuse nevel om de ster N U Orionis (HD 37061), het is een redelijk koele en jonge ster die omgeven is door een gaswolk die veel H-II bevat. Echter het is niet de enige ster in dit gebied. Onderzoek met o.a. röntgentelescopen heeft laten zien dat het hele gebied rijk aan stervorming is. De gaswolk bevat het grootste aantal bekende proto-sterren. Minimaal 11 proto-sterren zijn al bevestigd. Van enkele andere bronnen is het nog onduidelijk of het hier gaat om en proto-ster maar de kans is groot.
M43 is heel gemakkelijk te vinden als je M42 weet te vinden. De gaswolk bevindt zich net boven de trapezium-sterren van M42. Vak wordt er van uitgegaan dat M43 een deel is van M42 maar als je goed kijkt dan zie je dat ze worden gescheiden door een donkere gaswolk.
Jean-Jacques Dortus de Mairan was in 1731 de eerste die M43 als afzonderlijke nevel opmerkte. Op 4 maart 1771 deed Charles Messier hetzelfde. Ook hij kwam tot de conclusie da het hier gaat om twee verschillende nevels. Ook William Herschel as gefascineerd door M43. Hij nam de Messier-objecten niet op in zijn eigen catalogus maar uit zijn aantekeningen weten we dat hij door de jaren heen vaak naar dit gebied in Orion keek. Gedurende de 37 jaar dat hij regelmatig naar dit gebied keek, met steeds betere telescopen overigens, probeerde hij veranderingen in deze regio vast te leggen en te verklaren.
Messier 78
Andere benamingen: M78, NGC 2068
Type object: reflectienevel met open sterrenhoop
Afstand: 1600 lichtjaar
Visuele helderheid: 8.3
Schijnbare grootte: 8 * 6 boogminuten
M78 is gemakkelijk te vinden als je uitgaat van de drie gordelsterren van het sterrenbeeld Orion. Ga naar de meest oostelijke van de drie: Zèta Orionis oftewel Alnitak. Richt je telescoop 2 graden ten noorden en 1.5 graad ten westen van de ster en heb ben daar waar M78 zich bevindt. Klinkt gemakkelijk maar in de praktijk is het een stuk moeilijker want door de geringe oppervlakte helderheid en de kleine grootte is M78 een object dat alleen goed zichtbaar is bij goede omstandigheden: een storend maanlicht en goede waarneemcondities.
Heb je de beschikking over een telescoop met een grote opening dan moet je zeker ook op zoek gaan naar NGC 2067 ten noordwesten van M78, NGC 2071 ten noordoosten en NGC 2064 ten zuidwesten.
M78 is een wolk interstellaire materie die zich op een afstand van 1600 lichtjaar van de Aarde bevindt. De wolk materie wordt verlicht door de aanwezigheid van ongeveer 45 sterren met een relatief lage massa waarvan er verschillende van het T Tauri-type zijn. Jonge sterren die aan het begin van hun stellaire loopbaan staan. Astronomen hebben ontdekt dat er stervorming plaatsvindt in M78 en dat die stervorming zich in groepen afspeelt.
M78 werd vroeg in 1780 ontdekt door Pierre Mechain maar het duurde tot 12 december 1780 voordat Charles Messier de nevel opnam in zijn catalogus. Hij noteerde: cluster van sterren met veel neveligheid in Orion op dezelfde parallel als de ster Delta van de gordel van Orion. Op 19 december 1783 richtte William Herschel zijn telescoop op M78 en hij noteerde: twee heldere sterren met een nevelgloed de lijkt op de gloed in het zwaard van Orion. Herschel nam enige structuur waar in M78.
NGC 2169 - Nummer 37
NGC 2169 - nummer 37 - in OrionNGC 2169 is een jonge open sterrenhoop die de vorm heeft van het getal 37. De open sterrenhoop bevindt zich in de knuppel van Orion, boven de schouder van de jager die door de heldere oranje ster Betelgeuze wordt gemarkeerd.
Kijk ongeveer 5° noord-noordoosten van Betelgeuze, eerst naar de ster μ Orionis die een helderheid heeft van magnitude 5, daarna naar de sterren ξ en ν Orionis. De open sterrenhoop, die een helderheid heeft van magnitude 6 bevindt zich 1° westzuidwest van ξ Orionis.
Bij een vergroting van 60-70x zie je in NGC 2169 ongeveer 15-20 sterren van magnitude 7 en zwakker die in twee groepen lijken verdeeld. Eén groep bevat 6-7 sterren en de andere groep ongeveer 10-12 sterren. De open sterrenhoop wordt soms nummer 37 genoemd omdat de grootste groep het cijfer 3 vormt en de kleinere groep het cijfer 7. Het lijkt eenvoeudig te herkennen maar het kan lastig zijn omdat, afhankelijk van de gebruikte optiek het beeld omgekeerd kan zijn waardoor de cijfers lastig te herkennen zijn.
NGC 2169 bevindt zich op een afstand van ongeveer 3400 lichtjaar en is slecjts 8 miljoen jaar oud.
NGC 2194
NGC 2194 in OrionOp veel grotere afstand, 12,000 lichtjaar van de Aarde, bevindt zich de zwakke open sterrenhoop NGC 2194. Deze sterrenhoop bevindt zich 1,6° zuidzuidoost van NGC2169. In een 10-15 cm telescoop is er slechts een lichte gloed zichtbaar en enkele van de helderste sterren. In een 20 cm telescoop zijn er meer sterren zichtbaar met een zilver-kleurige achtergrond die niet in afzonderlijke sterren kan worden opgelost.
NGC 1999
NGC 1999 gefotografeerd door de Hubble Space TelescopeNet ten zuiden van de Orion nevel bevindt zich een vaak over het hoofd gezien object: NGC 1999. Het is een kleine reflectienevel die oplicht door het licht van pasgeboren sterren die in zijn nabijheid staan. De nevel wordt omringd door wat lijkt een leeg gat in de ruimte.
NGC ligt 1° ten zuiden van ι Orionis. Bij een vergroting van 20-30x lijkt het op een wazige ster die niet scherp is te stellen. Vergroot je 50-75 maal dan lijkt het op een zwakke ster die door een ijsachtige wolk wordt omringd.
Bij een vergroting van 150 maal wordt de ware aard zichtbaar. Je ziet dan een sleutelgat-vormig leegte in het midden van de reflectie nevel zelf. Toen astronomen deze leegte ruim een eeuw geleden voor het eerst zagen dachten ze te maken te hebben met een leegte in de ruimte. Eenzelfde fenomeen doet zich voor bij de Paardenkop-nevel. In werkelijkheid hebben we te maken met een donkere stofwolk die zich in de voorgrond van de reflectie-nevel bevindt en er zo voor zicht dat licht van die nevel wordt tegen gehouden.
In 2010 heeft de Herschel Space Telescope de donkere "leegte" in NGC 1999 bestudeerd. De Herschel telescoop detecteert infrarode straling en kan zo sterren waarnemen die zich achter of in de nevel bevinden. Het vreemde deed zich voor dat de Herschel in het geval van NGC 1999 helemaal géén infrarood straling waarnam. Dat betekent dat die lege gat in de ruimte geen donkere stofwolk is maar een echt gat. Niemand weet precies hoe dit kan maar men vermoed dat de leegte is ontstaan doordat straling van nieuwe sterren een gat hebben geblazen in het omringende stof.
Download de sterrenkaart als pdf-bestand.
De Meteorenzwerm der Orioniden
Net zoals alle andere meteorenzwermen zijn de Orioniden stofdeeltjes die door een komeet zijn achter gelaten. In dit geval de beroemde komeet Halley. Als de Aarde zich door de stofbanen beweegt die deze komeet heeft achtergelaten dan zijn er deeltjes die verbranden in onze atmosfeer. Het lichtende spoor dat ze achterlaten noemen we een meteoor. De kleine deeltjes verbranden allemaal in de atmosfeer. Het is maar zelden dat een deeltje het aardoppervlak raakt. Er zijn ook stofdeeltjes die de Maan raken maar dit is nagenoeg niet te zien.
Voor de waarnemer op Aarde lijkt het erop alsof alle meteoren afkomstig zijn uit één punt aan de hemel. Dit vluchtpunt noemen we radiant. Je kan het effect vergelijken met sneeuwvlokken die op je afkomen als je door een sneeuwbui heenrijdt. De radiant van de Orioniden ligt in het sterrenbeeld Orion, vandaar hun naam. Zie je een meteoor waarvan je de richting niet kan herleiden naar dit vluchtpunt dan is het geen Orionide.
De Orioniden zijn actief in de periode tussen 17 en 25 oktober. De piek ligt rond 21 november. De meteoren zijn zichtbaar voor waarnemers op zowel het noordelijk half rond als het zuidelijk halfrond. Omdat de baan stof die de komeet van Halley heeft achter gelaten redelijk nauwkeurig bekend is, is de piek altijd goed voorspelbaar.
Tijdens het maximum van de Orioniden zijn er rond de 30 meteoren per uur zichtbaar. Veel minder dan gedurende een gemiddeld Perseïdenmaximum maar het zijn er nog steeds best veel. Er zijn aanwijzingen dat de Orioniden eens in de 12 jaar extra actief zijn.
Meteoren waarnemen is redelijk eenvoudig. Vermijdt omgevingslicht. Leg een deken op de grond of kies voor een gemakkelijke ligstoel. Je hebt geen telescoop of verrekijker nodig. Je hoeft niet richting Orion te kijken omdat de meteoren van alle kanten kunnen komen (zolang hun vluchtpunt maar herleidbaar is naar Perseus is het een Orionide)



