Amerikaanse bemande ruimtevaart – Project Gemini

Gemini 6 gezien vanuit de Gemini 7
Gemini 6 gezien vanuit de Gemini 7 op 15 december 1965. By NASA, Public Domain, Link

Het Gemini-programma was een essentiële stap om eind jaren ’60 Amerikanen op de Maan te krijgen. Het was de opvolger van het eenpersoons Project Mercury. Dit programma had vastgesteld dat een astronaut ene paar minuten of uren in de ruimt kon overleven. Er was echter nog veel meer nodig voordat iemand 385.000 kilometer ver weg gestuurd zou kunnen worden.

Het Gemini-programma had langdurige missies van wel twee weken. Dit zou ruimschoots genoeg zijn om astronauten van en naar de maan te laten reizen. Astronauten oefenden ook een rendez-vous en het aankoppelen in de ruimte. Dit is een manoeuvre die nodig is om twee ruimtevaartuigen samen te voegen tijdens een maanmissie. Astronauten worstelden ook met het lastige probleem om ruimtewandelingen in gewichtsloze toestand uit te voeren. Hierdoor waren er verschillende missies nodig om dit goed te oefenen.

In november 1966 werd het Gemini-programma afgesloten. De NASA had meer vertrouwen in het manoeuvreren van ruimtevaartuigen en het sturen van astronauten op uitgebreide missies. Veel van de Gemini-astronauten worden het bevel tijdens de Apollo-missies. Enkele Gemini-astronauten landden op de Maan.

De “Nieuwe Negen” en start van Gemini

Voor het nieuwe programma van de NASA waren meer astronauten nodig. Sommige Mercury-astronauten waren begonnen aan een andere carrière en er waren meer astronauten nodig dan de zeven die oorspronkelijk door NASA waren geselecteerd. Het agentschap rekruteerde een nieuwe groep astronauten die op 17 september 1962 officieel werden aangekondigd. In dezelfde periode begonnen ook de Mercury-vluchten. De nieuwe groep astronauten werd informeel de “Nieuwe Negen” genoemd.

De eerste van deze nieuwe groep die de ruimte bereikte was John Young. Hij vloog op 2 maart 1965 samen met Gus Grissom (een van de Mercury 7) aan boord van de Gemini 3. Deze missie was bedoeld om te kijken hoe goed de Gemini en de bijbehorende grondsystemen presteerden. De missie duurde slechts een paar uur waarbij de astronauten drie omwentelingen om de Aarde maakten. Ze landden ongeveer 110 kilometer uit koers en dit kwam doordat de ruimtesonde tijdens de terugkeer naar de Aarde minder lift had dan verwacht. Voor de bemanning was dit geen probleem, die waren alleen een beetje zeeziek.

Gemini 4 werd door twee nieuwe astronauten bemand. Het was een ambitieuze vierdaagse missie die moest aantonen hoe goed astronauten in de ruimte konden overleven en op welke manier de ondersteuning vanaf de grond moest lopen. Gemini 4 met aan boord Jim McDivitt en Ed White werden op 3 juni 1965 gelanceerd.

Tijdens deze missie werd de aller eerste Amerikaanse ruimtewandeling uitgevoerd. Ed White verbleef op dezelfde dag van de lancering 23 minuten buiten de Gemini. Hij was via een kabel gezekerd en hij had een klein stuwraketje dat hem hielp zich te verplaatsen. Toen White door de vluchtleiding weer naar binnen werd gestuurd noemde hij dit het meest trieste moment in zijn leven. De astronauten hadden problemen om na de terugkeer van White het luik gesloten te krijgen maar uiteindelijk lukte dit toch.

Koppelingsproblemen en uithoudingsvermogen

De volgende missie, Gemini 5, zette een record voor een verblijf in de ruimte. Gordon Cooper en Pete Conrad verbleven meer dan acht dagen in de ruimte en legden in dit tijd meer dan 5,3 miljoen kilometer af. Ze kregen tijdens hun vlucht te maken ver verschillende technische problemen waaronder een brandstofcel die een gepland rendez-vous -experiment deed mislukken. Maar de bemanning keerde gezond terug naar de Aarde en veel van de vooraf gestelde doelen werden behaald. Gemini 5 zorgde ook voor een record want, alle tijd bij elkaar opgeteld, waren de Amerikanen nu langer in de ruimte geweest dan de Russen: 225 uur en 15 minuten.

Met als basis het uitvoeren van meerdaagse ruimtevluchten had NASA een lijst met verschillende dingen om af te vinken alvorens mensen naar de Maan te brengen. Een daarvan was het uitzoeken hoe je twee ruimtevaartuigen aan elkaar kon koppelen in de ruimte. NASA probeerde een onbemand Agena Target Vehicle (ATV) als koppelingsdoelwit voor Gemini 6 te leveren maar de Agena explodeerde tijdens de lancering.

In plaats daarvan besloot NASA de activiteiten van Borman en Lovell te combineren met de missie van Gemini 7. Frank Borman en Jim Lovell vertrokken op 4 december 1965 voor een 14-daagse missie. Dit was de Gemini 6a.

Op 12 december 1965 zouden Wally Schirra en Tom Stafford gelanceerd worden maar de Titan II-raket stopte er twee seconden na de lancering mee. Schirra besloot om een gebruik te maken van de schietstoelen om de Gemini 7 te verlaten. Drie dagen later werden ze zonder problemen gelanceerd en Gemini 6a en Gemini 7 maakten de geplande nauwe nadering in de ruimte.

De laatste Gemini-missies waren voornamelijk gewijd aan het uittesten van geavanceerde koppelingstechnieken en het nagaan hoe je een ruimtewandeling moet maken. In de eerdere missies waren astronauten snel vermoeid en moesten ze worstelen of zich langs de zijkant van hun ruimtevaartuig te verplaatsen om in gewichtsloze toestand hun taken uit te voeren.

Naarmate NASA meer ervaring kreeg werden er handvatten en voetsteunen toegevoegd en veranderde de aanpak om ruimtewandelingen gemakkelijker te maken voor astronauten. Ook werd het astronautencorps met 14 nieuwe astronauten uitgebreid. Deze 14 traden in 1963 toe voor vluchten die laat in het Gemini-programma begonnen.

Gemini 12 koppelt met Agena
Gemini 12 koppelt met Agena. Door NASA – Publiek domein, Koppeling

Koppelingen en ruimtewandelingen

Op 16 maart 1966 werd Gemini 8 gelanceerd. De astronauten Neil Armstrong en Dave Scott (eentje van de nieuwe lichting) voerden de eerste koppeling uit. Deze verliep niet zonder problemen. De astronauten merkten dat ze heel snel  ronddraaiden en ze koppelden los van de Agena omdat ze dachten dat de Agena niet goed functioneerde. Het probleem bleek een vastzittende stuwraket van de Gemini 8 te zijn.

Ze draaiden eenmaal per seconde om hun as toen Armstrong snel het re-entry systeem inschakelde. Dit redde hen en het stopte de snelle rotatie maar zorgde ook voor een sneller einde van de missie. Armstrongs acties konden rekenen op lof vanuit de NASA en waren mogelijk een factor om hem als eerste man op de Maan te zetten.

Op 3 juni 1966 werd Gemini 9A gelanceerd. Deze missie zou ook koppelen met een Agena maar de astronauten Eugene Cernan en Tom Stafford ontdekten dat een deel van de Agena niet was ontvouwen zoals bedoeld. De Agena draaide rond als een boze alligator, zoals Stafford het richting vluchtleiding meldde. De geplande ruimtewandeling van Cernan moest worden afgebroken toen de astronaut moeite had om buiten in de ruimte een rugzak waarmee hij kon manoeuvreren aan te trekken.

Op 18 juli 1966 werd Gemini 10 gelanceerd met aan boord de astronauten John Young en Michael Collins. De astronauten maakten een geslaagde koppeling met hun Agena maar te verbruikten wel meer brandstof dan verwacht. Hierdoor werden andere geplande manoeuvres geschrapt. Collins maakte ook twee ruimtewandelingen waarbij hij opnieuw last had van het ontbreken van handvaten om zich vast te grijpen en vooruit te bewegen.

Gemini 11 werd op 12 september 1965 gelanceerd en voerde een geslaagde koppeling uit met zijn Agena. Astronaut Dick Gordon maakte twee keer een ruimtewandeling terwijl Pete Conrad binnen bleef. De astronauten brachten tijdens de missie o.a. hun ruimtevaartuig naar een hogere baan en ze deden met behulp van een kabel een kunstmatige zwaartekrachtstest.

Gemini 12 was de laatste missie van het programma. De astronauten Jim Lovell en Buzz Aldrin werden op 11 november 1966 gelanceerd. Aldrin maakte drie keer een ruimtewandeling en ze deden koppelingsoefeningen met hun Agena. Na deze NASA vond NASA dat ze klaar waren om aan het Apollo-programma te beginnen en de stap naar de Maan te gaan maken.

Eerste publicatie: 31 oktober 2020
Bron: Livescience, nasa, wikipedia