11. De Appels van de Hesperiden

De appels van de Hesperiden

Die arme Hercules! Na acht jaar en een maand, na uit uitvoeren van tien bovenmenselijke opdrachten, was hij er nog steeds niet vanaf. Eurystheus eiste dat de held nog twee opdrachten zou uitvoeren omdat hij de Hydra en de Augeaanse stallen niet wilde meetellen.

Eurystheus vroeg hem om de gouden appels van Zeus, de koning der goden. Zeus had deze appels van Hera gekregen als huwelijkscadeau. Dit moest haast wel een onuitvoerbare opdracht zijn omdat Hera niet wilde dat Hercules al zijn opdrachten zou vervullen. Het laatste wat ze dus zou toestaan zou het stelen van haar dure huwelijkscadeaus’s zijn!

De appels werden bewaard in een tuin gelegen aan de noordelijke rand van de wereld. De appels werden bewaakt door de honderdkoppige draak Ladon en de Hesperiden. De Hesperiden waren nimfen en de dochters van Atlas, de titaan die de wereld op zijn schouders droeg.

Het eerste probleem voor Hercules was dat hij absoluut niet wist waar de tuin lag. Hij reisde door Libië, Egypte, Arabië en Azië op zoek naar de tuin. Onderweg beleefde hij allerlei avonturen. Hij werd tegen gehouden door Kyknos, de zoon van de oorlogsgod Ares omdat die tegen hem wilde vechten. Het gevecht werd afgebroken door een bliksemflits en Hercules zette zijn reis voort naar Illyria alwaar hij een ontmoeting had met de zeegod Nereus. Deze wist waar de verborgen tuin zich bevond. Nereus veranderde zich in verschillende gedaanten om aan Hercules te ontsnappen maar Hercules hield hem stevig vast totdat hij de gewenste informatie had prijsgegeven.

Op zijn zoektocht werd Hercules verder ook door Antaeus, de zoon van Poseidon, tegen gehouden. Ook deze wilde tegen hem worstelen. Hercules versloeg hem in een worstelgevecht door hem hoog boven de grond te houden en te verpletteren. Iedere keer als Antaeus de grond raakte werd hij sterker. Nadat hij Antaeus had verslagen werd hij gevangen genomen door Busiris, een andere zoon van Poseidon. Hij werd als menselijk offer naar een altaar geleid maar hij wist te ontsnappen. Hij doodde Busiris en reisde verder.

Hercules kwam bij de rots in de Kaukasus waar Prometheus was vastgeketend. Prometheus had de goden voor de gek gehouden en had het geheim van het vuur van hun gestolen. Als straf was hij door Zeus aan een rotswand geketend. Iedere dag werd zijn lever door een enorme arend uit zijn lichaam gepikt. De lever groeide iedere dag weer aan en werd dan ook iedere dag op pijnlijke wijze door een arend opgegeten. Dit duurde zo al dertig jaar totdat Hercules ten tonele verscheen en de arend doodde.

Als dank vertelde Prometheus waar Hercules de appels kon vinden. Hercules stuurde Atlas op pad om de appels te stelen iets wat Atlas graag deed. Hij droeg de zware last van de wereld tijdelijk over aan Hercules. Alles verliep zoals Prometheus had voorspeld: Atlas jatte de appels terwijl Hercules de zware last van de wereld op zijn schouders droeg.

Toen Atlas terugkwam met de appels zei hij dat hij ze zelf wel aan Eurystheus zou geven zodat Hercules nog wel even met de wereldbol op zijn schouders zou blijven zitten. Hercules stemde aarzelend in maar vroeg Atlas of hij heel even de wereldbol over zou kunnen nemen zodat hij wat zachte doeken op zijn schouders kon leggen. Atlas legde de appels op de grond en nam de wereldbol over. Snel raapte Hercules de appels op en rende naar Eurystheus.

Er was één groot probleem: de appels waren eigendom van de goden en konden dus niet in bezit blijven van Eurystheus. Na alle ellende die Hercules had meegemaakt om de appels te pakken te krijgen moest hij ze teruggeven aan Athena die ze terugbracht naar de tuin aan de noordelijke rand van de wereld.