De naamgeving van sterren

Ursa Major - Urania's Mirror

Ursa Major – uit Urania’s Mirror (ca. 1825)

Het catalogiseren van sterren heeft al een hele lange traditie. Sinds de prehistorie hebben culturen en beschavingen van over de hele wereld hun eigen unieke namen gegeven aan de helderste en meest opvallende sterren aan de nachtelijke hemel. Sommige namen zijn vanuit de Arabische cultuur doorgegeven naar de Griekse en Romeinse cultuur en zijn al die tijd nauwelijks veranderd. Ook zijn er namen die tegenwoordig nog steeds worden gebruikt. Gedurende de eeuwen ontwikkelde de astronomie zich steeds verder en ontstond er behoefte aan een meer universeel systeem van catalogiseren waarbij de helderste sterren (en dus de meest bestudeerde) bekend waren onder dezelfde naam zodat ze door astronomen uit alle landen en culturen gebruikt konden worden.

Johann Bayer

Johann Bayer

Om dit probleem proberen op te lossen bedachten tijdens de Renaissance astronomen regels voor het maken van stercatalogi. Eén van de oudste voorbeelden, en tegenwoordig nog steeds populair, is afkomstig van Johann Bayer die in 1603 zijn stercatalogus Uranometrica uitgaf. Bayer labelde de sterren in ieder sterrenbeeld met Griekse letters. Hij deed dat in volgorde van hun helderheid (meestal althans). De helderste ster kreeg de aanduiding alpha, de op één na helderste ster kreeg de aanduiding beta, etc. De helderste ster in het sterrenbeeld Cygnus – Zwaan kreeg de aanduiding alpha Cygni. Deze ster is ook bekend als Deneb. De helderste ster in Leo – Leeuw kreeg de aanduiding alpha Leonis maar de ster is ook bekend als Regulus.

Helaas slopen er wat fouten in dit systeem. Verkeerde helderheidsschattingen en andere onregelmatigheden zorgden er voor dat het systeem niet altijd nauwkeurig was. Zo is bijvoorbeeld de helderste ster van het sterrenbeeld Tweelingen – Gemini, Beta Geminorum (Pollux), Alpha Geminorum (Castor) is de op één na helderste ster van het sterrenbeeld. Het Griekse alfabet heeft 24 letters en er zijn genoeg sterrenbeelden met meer dan 24 sterren, zelfs als je je beperkt tot alleen de met het blote oog zichtbare sterren. Bayer probeerde dat op te lossen door gebruik te maken van de kleine letters van het moderne Latijnse alfabet (a – z) gevolgd door de hoofdletters (A – Z) voor de sterren 25 – 50 en 51 tot 76 in een sterrenbeeld.

Ongeveer 200 jaar later ontwikkelde de Engelse astronoom John Flamsteed een gelijkaardig stelsel dat populair werd. Flamsteed was de eerste Engelse Koninklijke Astronoom. Hij deed zijn waarnemingen vanaf de Greenwich sterrenwacht. Flamsteed maakte een grote steratlas die na zijn dood in 1725 werd gepubliceerd. Voor zover we dat nu weten zijn de Flamsteed nummers eigenlijk helemaal niet door Flamsteed toegekend maar door de Franse astronoom Jerome Lalande. Hij deed dit in de Franse editie van de catalogus van Flamsteed die in 1783 verscheen. In dit schema zijn de sterren genummerd naar volgorde van hun rechte klimming binnen ieder sterrenbeeld.

Er zijn nog meer verschillende schema’s geïntroduceerd om de helderste sterren te duiden maar die werden allemaal niet populair. Eén van die schema’s leunde op de Flamsteed nummering en werd in 1879 geïntroduceerd door de Amerikaanse astronoom Benjamin Gould. Slechts enkele sterren dragen nog de aanduiding volgens Gould; 38G Puppis is hier een voorbeeld van.

Alfanumerieke aanduidingen en zwakke sterren

Recent ontdekte sterren zij veel zwakker dan de sterren die onder schema’s van Bayer en Flamsteed vallen. Astronomen ontdekken steeds meer zwakke sterren die ze willen bestuderen en het is een standaard gewoonte geworden om ze met een alfanumerieke aanduiding te duiden. Deze aanduidingen zijn handig omdat de modernere stercatalogi duizenden, miljoenen tot zelfs miljarden objecten tellen.

Er bestaan verschillende stercatalogi voor zwakke sterren zoals de Bonner Durchmesserung (BD), de Henry Draper Catalogue (HD) en de General Catalogue (GC. De BD wordt aangevuld door de Cordoba Durchmesserung (CD) en de Cape Durchmesserung voor zwakke sterren aan het zuidelijk halfrond. Andere veel gebruikte catalogi zijn de Smithsonian Astrophysical Observatory Catalogue (SAO), de Bright Star Catalogue (Harvard Revised Photometry, HR) en de Positions and Proper Motions Catalogue (PPM). Eenzelfde ster kan dus in verschillende catalogi voorkomen en dus meerdere aanduidingen hebben. Zo is de ster Betelgeuse ook bekend als Alpha Orionis, HR 2061, BD +7 1055, HD 39801, AO 113271 en PPM 149643.

Dubbelsterren en meervoudige stersystemen

Sterren die deel uitmaken van een dubbelstersysteem of een meervoudig stersysteem worden op verschillende manieren benoemd. Als de ster een algemene naam heeft dan wordt een hoofdletter uit het alfabet gebruikt, de Bayer aanduiding wordt gebruikt maar ook de Flamsteed aanduiding of een nummer uit een catalogus.

Zo heeft de helderste ster aan de sterrenhemel de naam Sirius. Deze ster heeft een witte dwerg als begeleider die bekend is onder de volgende aanduidingen: Sirius B, Alpha Canis Majoris B en HD 48915 B.

Veranderlijke sterren

In 1862 stelde de Duitse astronoom Friedrich Wilhelm Argelander een systeem op voor het catalogiseren van veranderlijke sterren. Dit systeem was een uitbreiding van het schema van Bayer. Argelander stelde voor om de resterende letters R t/m Z te gebruiken voor de veranderlijke sterren in elk sterrenbeeld. Incidenteel werd ook de letter Q gebruikt zoals in de sterrenbeelden Centaurus, Puppis en Vela.

In het begin leken de negen beschikbare letters ruim voldoende te zijn om het kleine aantal veranderlijke sterren per sterrenbeeld te benoemen. Maar al snel werden er meer veranderlijke sterren ontdekt en schoot het schema van Argelander te kort. Het werd daarom uitgebreid naar namen met twee letters en uiteindelijk werden er ook getallen aan toegevoegd.

Tegenwoordig worden veranderlijke sterren op een andere manier benoemd en gaat men uit van de volgorde van ontdekking. In ieder sterrenbeeld krijgt de eerst ontdekte veranderlijke ster de aanduiding R en de Latijnse naam van het sterrenbeeld, bijvoorbeeld R Andromedae. De tweede ontdekte veranderlijke ster krijgt de aanduiding S en zo gaat men verder tot de letter Z. Zijn er meer veranderlijke sterren dan is de eerstvolgende aanduiding na Z de combinatie RR, bijvoorbeeld de bekende veranderlijke ster RR Lyrae. Deze wordt opgevolgd door RS tot en met RZ, daarna komt het schema SS tot SZ en zo gaat en door tot ZZ. Zijn er nog meer veranderlijke sterren ontdekt die niet meer in dit schema passen dan gaat het schema terug naar AA tot en met AZ, BB tot en met BZ om dat uiteindelijk te eindigen bij QQ tot en met QZ. De letter J wordt overgeslagen om verwarring met de letter I te voorkomen.

Dit systeem biedt plaats aan 334 unieke aanduidingen voor veranderlijke sterren per sterrenbeeld. Als er nog meer veranderlijke sterren worden ontdekt dan schakelt het schema over naar aanduidingen waarbij de naam va het sterrenbeeld vooraf wordt gegaan door de letter V en een nummer. Bijvoorbeeld de veranderlijke ster V 1500 Cygni. Uitzonderingen in dit schema zijn de veranderlijke sterren die al een Bayer aanduiding hadden. Deze sterren krijgen geen nieuwe aanduiding volgens dit schema. Voorbeelden van dergelijke veranderlijke sterren zijn Delta Cephei, Beta Lyrae, Beta Persei en Omicron Ceti.

Verder worden veranderlijke sterren geclassificeerd op basis van een bekend typisch voorbeeld zoals de Mira-veranderlijke sterren, de RR Lyrae veranderlijke sterren of de Delta Cepheïden.

Nova’s en supernova’s

Voor nova’s en supernova’s wordt een andere manier van naamgeving gebruikt. Nova’s krijgen een aanduiding die correspondeert met hun sterrenbeeld samen met het jaar waarin ze oplichten (bijvoorbeeld Nova Cygni 1975), later krijgen ze een aanduiding die is gebaseerd op die van veranderlijke sterren. Zo is Nova Cygni 1975 hetzelfde object als de eerder genoemde veranderlijke ster V 1500 Cygni.

Supernova’s krijgen een naam waarin het jaartal van hun ontdekking is verwerkt samen met de aanduiding SN en een hoofdletter, bijvoorbeeld SN 1987A. In een druk supernova jaar gaat men na de letter Z over naar een aanduiding bestaande uit dubbele kleine letters, bijvoorbeeld SN1997bs.

De IAU lijst van namen van sterren

In 2016 richtte de Internationale Astronomische Unie onder Divisie C (opleiding, voorlichting en geschiedenis) de Working Group on Starnames op (WGSN) die zich bezig moet gaan houden met het formeel catalogiseren van de namen van sterren beginnende met de helderste en best bekende sterren. De werkgroep bestaat uit internationale selectie van astronomen die verschillende ervaringen en inzichten meebrengen.

Om sterren te identificeren zijn alfanumerieke aanduidingen voor astronomen handig. Maar in veel gevallen is het ook gemakkelijk om naar een algemeen gebruikte naam te kunnen verwijzen. Dit geldt zeker voor de helderste sterren maar ook voor sterren die een culturele of historische betekenis hebben. Veel van die namen worden al algemeen gebruikt en zijn al heel oud. Voordat de WGSN aan de slag ging was er echter nog geen door de Internationale Astronomische Unie goedgekeurde catalogus met namen van sterren.

De werkgroep gaat ook werken aan een eeuwenoud probleem dat verschillende culturen en astronomen sterren hun eigen naam hebben gegeven. Tot voor kort was er bijvoorbeeld voor verschillende heldere sterren, zoals Betelgeuse en Rigel, geen officiële spelling, waren er sterren met meerdere namen of werd dezelfde naam gebruikt voor meerdere sterren. Een speurtocht door de oude astronomische literatuur leverde bijvoorbeeld 30 verschillende namen op voor de ster die wij meestal aanduiden als Fomalhaut. Deze spelling wordt de laatste eeuwen gebruikt maar in oude boeken komen o.a. de namen Fom-alhut al jenubi, Fomahandt, Fomahant, Fomal’gaut, Fomal’khaut, fomalhani, Fomalhut, Fomalhaut, Fumahant, Fumahaut en Fumalhat voor. Door het opstellen van een door de IAU bekrachtigde lijst met sternamen kan verwarring worden voorkomen. Deze lijst zorgt er ook voor dat deze namen in de toekomst niet beschikbaar zijn voor de naamgeving van asteroïden, manen en exo-planeten. Dit om verdere verwarring te voorkomen.

Om een goedgekeurde lijst met sternamen op te stellen duikt de werkgroep de astronomische geschiedenis in en onderzoekt ze heel veel culturen. De werkgroep zoekt naar de beste aanduidingen die als officiële naam gebruikt kunnen worden. De werkgroep is pas begonnen en zal nog verschillende jaren nodig hebben om tot een finale catalogus te komen. Als eenmaal alle heldere sterren aan de hemel een naam hebben en aan de catalogus zijn toegevoegd zal de werkgroep zich bezig houden met het opstellen van een template met regels, criteria en procedures om te komen tot nieuwe sternamen die dan in de toekomst door professionele astronomen en het grote publiek gebruikt kan worden.

Omdat sternamen hun oorsprong hebben in veel verschillende talen en culturen is het onmogelijk om hele strenge regels op te stellen maar de werkgroep heeft wel, uitgaande van ervaringen van enkele andere werkgroepen van de IAU, enkele basisregels opgesteld. Deze basisregels geven de voorkeur aan namen bestaande uit één woord die niet al te veel lijken op bestaande namen van sterren, planeten of manen maar ook aan namen die hun oorsprong hebben in het astronomische en culturele erfgoed van over de hele wereld.

Voordat de werkgroep begon waren er slechts 14 sterren die een door de IAU goedgekeurde naam droegen. Dit hield verband met de ontdekking van exo-planeten bij deze sterren.

Via deze link kan de tabel met 227 namen van sterren worden bekeken. Dit is de meest recente lijst zoals die op 24 november 2016 door de Internationale Astronomische Unie is vrijgegeven.

Via de knop kan het volledige artikel inclusief de lijst met IAU-namen van sterren worden gedownload (pdf-file, 967 Kb)

De naamgeving van sterren

Pdf artikel (967 Kb) over de naamgeving van sterren en de complete lijst met door de Internationale Astonomische Unie geautoriseerde namen van sterren.

 

Eerste publicatie: 8 december 2016
Bron: iau.org