Het Jet Propulsion Laboratory van de NASA

Logo Jet Propulson Laboratory

Het Jet Propulsion Laboratory (JPL) van de NASA bouwde al ruimtevaartuigen voordat de NASA bestond en tegenwoordig is het het belangrijkste centrum van de NASA voor gerobotiseerde verkenning van andere werelden.

Zo leidt het JPL de 2,5 miljard dollar kostende Mars Science Laboratoy-missie die de 1000 kg zware Curiosity in 2012 op de rode planeet zette. Maar ook de Cassini-missie die onlangs is beëindigd werd door JPL uitgevoerd. Evenals de Voyager-missies die nu de rand van het zonnestelsel naderen en ontelbaar veel andere onbemande ruimtemissies.

Het JPL bevindt zich in Pasadena in de Amerikaanse staat Californië. Het wordt in opdracht van de NASA gemanaged door het California Institute of Technoloy (Caltech). Er werken ongeveer 5000 mensen en het heeft een budget van ongeveer 1,6 miljard dollar per jaar.

Een lange geschiedenis

Explorer 1
Explorer 1 (credit: NASA)

De wortels van het JPL gaan terug tot 1936 toen een groep researchers van het Caltech Guggenheim Aeronautical Laboratory een serie rakettesten uitvoerde in een droge vallei die Arroyo Seco heet. Ze waren naar deze vallei uitgeweken nadat ze hun eigen laboratorium per ongeluk hadden opgeblazen.

Het succes van die testen trok de aandacht van het leger van de V.S. dat het team van Caltech geld gaf om raketten te ontwikkelen die aan vliegtuigen vastgemaakt konden worden zodat die een veel kortere startbaan nodig hadden om op te stijgen. Dit concept wordt “jet-assisted takeoff” of JATO genoemd.

In 1943 vormden een aantal researchers het bedrijf Aerojet Corporation – dat overigens nog steeds bestaat – om JATO-motoren te bouwen. In datzelfde jaar begon het Caltech-team hun eigen research organisatie Jet Propulsion Laboratory te noemen.

In de eerste jaren werd JPL financieel ondersteund door het Amerikaanse leger met als doel rakettechnologie te ontwerpen. In 1945 werkten er al 300 mensen voor JPL en begon men met het lanceren van testraketten vanaf de basis White Sands. Deze raketten bereikten al een hoogte van ongeveer 60 kilometer.

Twee jaar later lanceerde JPL de Corporal, dit is een geleideraket die als tegenhanger van de Duitse V2 uit de tweede Wereldoorlog gezien kan worden. De Corporal raketten werden tussen 1954 en 1964 in Amerika en Europa opgesteld.

Hierna ging het JPL de verkregen kennis gebruiken voor niet militaire zaken. Het lab begon in november 1957 met de ontwikkeling van de Explorer 1, de eerste succesvolle kunstmaan van de Verenigde Staten. Explorer 1 werd op 31 januari 1958 gelanceerd.

Voor het eind van het jaar was het JPL van een militaire organisatie omgevormd naar een civiele organisatie. In oktober 1958 richtte het Amerikaanse congres NASA op en twee maanden later nam NASA de leiding van het JPL op zich.

Het verkennen van planeten – de eerste jaren

Al snel richtte het lab zijn blik voorbij de Aarde. Zo vloog in 1962 de Mariner 2 van JPL al langs Venus. In 1964 volgde de scheervlucht van de Mariner 4 langs Mars en de Mariner 9 kwam in 1971 als eerste ruimtesonde in een baan om Mars.

JPL hielp de NASA met de voorbereidingen voor de bemande maanmissies. In 1965 en 1966 maakten de Ranger 7,8 en 9 zeer gedetailleerde foto’s van de Maan en tussen 1966 en 1968 maakten de Suveyor 1,3,5,6 en 7 zachte landingen op de Maan.

In 1973 werd de Mariner 10 gelanceerd. Deze verkenner maakte een scheervlucht langs Mercurius na eerst langs Venus te zijn gevlogen om meer snelheid te maken en brandstof te besparen.

Op naar Mars

Curiosity
Met geavanceerde verkenners als de Curiosity wordt nog steeds gezocht naar de condities voor leven op de planeet

De Curiosity die momenteel op Mars rondrijdt mag dan wel het meest ambitieuze rover project zijn dat ooit is gelanceerd maar het JPL heeft de laatste 40 jaar een hele riedel aan ruimtesondes naar de rode planeet helpen sturen.

In 1975 lanceerde de NASA de Viking-missie, het was de eerste poging van de NASA op naar leven op Mars te zoeken. Het Viking-project leverde twee orbiters en twee landers voor Mars. JPL bouwde de orbiters en had de leiding over de missie.

Ook de Path Finder-missie werd door JPL uitgevoerd. De Path Finder-missie plaatste in 1997 een rover en een lander op Mars. Maar ook de Mars Global Surveyor die tussen 1997 en 2006 de rode planeet vanuit een baan bestudeerde, was een JPL-missie. De Mars Odyssey die in 2001 werd gelanceerd en die nog steeds actief is wordt ook door JPL uitgevoerd.

Ook de Mars Exploration Rover-missie die de twee rovers Opportunity en Spirit op Mars liet landen is een JPL-missie. De beide rovers werden in januari 2004 op de planeet gezet. Spirit stopte in 2010 de communicatie met de Aarde maar de Opportunity rijdt nog steeds rond op Mars.

De Mars Reconnnaissance Orbiter werd in 2005 gelanceerd en bestudeert nog steeds vanuit een baan de rode planeet en in 2008 landde de Phoenix in de buurt van de noordpool van Mars om er te zoeken naar de aanwezigheid van waterijs net onder het oppervlak.

Maar niet alle JPL-missies verliepen even succesvol. In 1993 verloor men het contact met de Mars Observer net voor die aan de landing moest beginnen en in 1999 gingen zowel de Mars Climate Orbiter als de Mars Polar Lander verloren net voor ze bij Mars aankwamen.

Voorbij Mars

JPL heeft ook ruimtesondes voorbij Mars gestuurd. Twee van de beroemdste zijn de Voyagers die in 1977 werden gelanceerd om Jupiter, Saturnus en hun manen te bestuderen. Eén van de Voyagers heeft ook nog Uranus en Neptunus bezocht. Veertig jaar na lancering werken beide Voyagers nog en bevinden ze zich in de interstellaire ruimte net buiten ons zonnestelsel. Voyager 1 bevindt zich op een afstand van ongeveer 18 miljard kilometer van de Aarde en Voyager 2 op ongeveer 15 miljard kilometer.

De Galileo-sonde van JPL kwam in 1995 in een baan om Jupiter en heeft gedurende acht jaar de planeet en zijn manen bestudeerd. De Cassini werd in 1977 naar Saturnus gelanceerd en is momenteel aan zijn laatste omwentelingen om de planeet bezig.

JPL heeft ook deelgenomen aan de Stardust-missie die materiaal uit de staart van komeet Wild-2 heeft verzameld en dat in 2004 teruggebracht naar de Aarde. Ook de Stardust-missie naar komeet Tempel 1 in 2005, die in 2010 ook nog een bezoek bracht aan komeet Hartley 2, was een JPL-missie. Ook leidt JPL de DAWN-missie die na een bezoek aan de planetoïde Vesta nu in een baan om de dwergplaneet Ceres draait.

Maar JPL kijkt ook nog steeds naar de Aarde. Ongeveer 1/3-de van het jaarlijkse budget wordt gebruikt voor aardobservatie: o.a. atmosfeer, oceanen, zwaartekracht en temperatuur wordt door JPL vanuit de ruimte gemonitord.

Niet alleen planeetverkenning

JPL is het bekendst om zijn missies naar de planeten maar doet nog veel meer. Zo bedrijft JPL ook de Spitzer Space Telescope die sinds zijn lancering in 2003 het heelal in infrarood licht bestudeerd. Maar ook de WISE (Wide field Infrared Survey Explorer space telescope) die voor de uit bedrijf name in 2011 meer dan 100.000 voorheen onbekende asteroïden in de asteroïdengordel heeft gevonden.

Het JPL coördineert ook het Near-Earth Objects Program van de NASA. JPL werkte mee aan de ontwikkeling van de Kepler telescoop die al enkele duizenden potentiële exoplaneten heeft ontdekt.

JPL heeft ook het Deep Space Network gebouwd en bedrijft het voor de NASA. Het DSN bestaat uit drie grote antennes, eentje in de Mojave woestijn in Californië, eentje in Spanje en eentje in Australië. De antennes worden gebruikt voor de communicatie met ruimtesondes en ze maken, gebruikmakende van radar, opnames van asteroïden.

Naast de hoofdvestiging in Pasadena heeft het JPL nog een sterrenwacht op Table Mountain in Californië en een lanceercomplex op Cape Canaveral in Florida.

 

 

Eerste publicatie: 21 oktober 2017
Bron: space.com