Jacob Bartsch en zeven nieuwe sterrenbeelden

De polaire sterrenkaart van Bartsch
Op de kaarten uit 1624 kwamen de eerste gedrukte afbeeldingen van Camelopardalis en Monoceros voor.

Jacob Bartsch (1600 – 1633) was een Duitse wiskundige, astronoom en schoonzoon van de beroemde Johannes Kepler. Bartsch speelde een bijna vergeten rol in de geschiedenis van de moderne sterrenbeelden.

In 1624 werd zijn boek Usus Astronomicus Planisphaerii Stellati gepubliceerd (Astronomisch gebruik van de Stellaire Planisfeer). In dit boek introduceerde hij zes nieuwe sterrenbeelden die door Petrus Plancius waren bedacht, bij het grote publiek. Dit is hetzelfde als Johann Bayer in zijn Uranometria deed voor de 12 zuidelijke sterrenbeelden van Keyser en de Houtman. In beide gevallen waren de nieuwe sterrenbeelden eerst op globes gepubliceerd. Deze globes hadden maar een beperkt bereik. Gedrukte kaarten konden in veel grotere oplages worden verspreid.

Dit zorgde er voor dat Bartsch vaak ten onrechte de credits kreeg van de nieuwe sterrenbeelden die hij had opgenomen. In werkelijkheid hebben zowel Bayer als Bartsch geen enkel nieuw sterrenbeeld gemaakt. Ze vertaalden eenvoudigweg de uitvindingen van anderen naar hun kaarten en maakten die voor een veel groter publiek beschikbaar.

Het boek van Bartsch bevatte drie uitvouwbare sterrenkaarten. Eentje van de noordelijke zenit en twee equatoriale kaarten die zich tot op -55° uitstrekken. Een kaart van het zuidelijke zenit was er niet. Bartsch tekende 1111 sterren in op zijn kaarten. Dat is ongeveer twee derde van het aantal dat Bayer in zijn veel grotere atlas opnam.

Onbekende figuren

Tussen de traditionele sterrenbeelden van Ptolemeus werden op de kaarten in Usus Astronomicus zes figuren geplaatst die voor de meeste lezers destijds onbekend waren. Bartsch tekende de sterrenbeelden Camelopardalis, Jordanis, Tigris en Vespa in op de noordelijke polaire kaart en Unicornu ( = Monoceros) en Gallus op de eerste equatoriale kaart. De tweede equatoriale kaart bevatte de eerste gedrukte afbeelding van het sterrenbeeld Crux – Zuiderkruis als onafhankelijk sterrenbeeld. Crux maakte in de atlas van Bayer wel al deel uit van het sterrenbeeld Centaurus dus dit sterrenbeeld was niet helemaal nieuw. Bartsch beschreef de sterrenbeelden kort in de tekst van het boek. In die tekst benoemde hij ook het nieuwe sterrenbeeld Rhombus. Dit sterrenbeeld bevond zich te zuidelijk voor zijn kaarten. Rhombus bevond zich op de plaat waar we nu het sterrenbeeld Reticulum – Net zien.

Uitgezonderd Rhombus waren al deze sterrenbeelden in 1612 door Petrus Plancius voor het eerst op zijn globe van dat haargeplaatst. Bartsch wist dit echter niet. Hij zag de sterrenbeelden voor het eerst op een globe uit 1621 die door Isaac Habrecht II (1589 – 1633) was gemaakt en hij dacht dat Habrecht deze sterrenbeelden had uitgevonden. Dit gold echter alleen voor het sterrenbeeld Rhombus. Heel veel anderen zagen deze sterrenbeelden pas voor het eerst op de kaarten van Bartsch en dachten dus dat hij de uitvinder er van was. Dit misverstand werkte door tot in het monumentale boek “Star Names” van R.H. Allen uit 1899.

Vier jaar na het verschijnen van het boek van Bartsch publiceerde Habrecht zijn eigen gedrukte versie van de zeven nieuwe sterrenbeelden in zijn boek “Planoglobium coeleste et terrestre” dat in 1628 verscheen.

Op twee na verdwenen al deze sterrenbeelden weer in de vergetelheid. De enige twee sterrenbeelden die de tand des tijds overleefden waren Monoceros – Eenhoorn en Camelopardalis – Giraffe. Deze twee sterrenbeelden werden door de Poolse astronoom Johannes Hevelius overgenomen in zijn invloedrijke steratlas Firmamentum Sobiescianum die in 1690 werd gepubliceerd.

Een derde sterrenbeeld had het wel bijna gehaald maar dan wel in een aangepaste vorm. Vespa de Wesp van Bartsch was door Plancius en Habrecht als Apes de Bij aan de sterrenhemel geplaatst. Hevelius hernoemde het sterrenbeeldje Musca de Vlieg en nam het op in zijn atlas. De naam werd later omgezet naar Musca Borealis om verwarring te voorkomen met de zuidelijke Vlieg. Uiteindelijk was de Noordelijke Vlieg hetzelfde lot beschoren als Gallus, Jordanus, Tigris en Rhombus.

De tweede editie

In 1661, ruim na zijn dood, verscheen er een uitgebreide editie van de steratlas van Bartsch. Het boek werd opnieuw uitgegeven door Andreas Goldmayer (1603 – 1664). Goldmayer was een Duitse kalendermaker en astroloog. Hij noemde het boek “Planisphaerium Stellati”. Er werd een ander lettertype gebruikt en de kaarten werden opnieuw gegraveerd. Goldmayer breidde het boek uit met verschillende nieuwe secties en hij nam een nieuwe stercatalogus op met 1230 sterren, de “Stellarum Inerrantium Praecipuarium”. Dit was een aan de precessie aangepaste versie van de catalogus die in 1627 in de Rudolfijnse Tabellen” was opgenomen. Deze Rudolfijnse Tabellen verschenen drie jaar na de eerste uitgave van het boek van Bartsch

De kaarten van de 1661-editie zijn het meest algemeen gepubliceerd. De originele kaarten uit 1624 zijn erg zeldzaam.

Camelopardalis

Het sterrenbeeld Camelopardalis volgens Bartsch
Het sterrenbeeld Camelopardalis volgens Bartsch

De giraffe was niet meer dan een schaduw op de noordelijke poolkaart van Bartsch. Het sterrenbeeld bevatte slechts een handjevol sterren. De aanduiding van Habrecht was veel duidelijker maar hij labelde het sterrenbeeld niet.

Gallus

Het sterrenbeeld Gallus volgens Bartsch
Het sterrenbeeld Gallus volgens Bartsch

Gallus de Haan kwam net boven de zuidelijke grens van de equatoriale kaart van Bartsch uit. Hij bevond zich naast de staart van Canis Major en gevaarlijk dicht bij de trappelende achterpoten van Monoceros. Dit sterrenbeeld werd door Bartsch als Unicornu aangeduid. De meeste uitvindingen van Plancius vulden gaten op tussen bestaande sterrenbeelden maar de sterren van Gallus behoorden eigenlijk toe tot de achtersteven van Argo Navis. De sterren van Gallus behoren nu toe tot Puppis – Achtersteven.

Jordanis

Het sterrenbeeld Jordanis volgens Bartsch
Het sterrenbeeld Jordanis volgens Bartsch

In de tekst van zijn boek beschreef Bartsch dat het sterrenbeeld bestaat uit twee stromen: de Jor en de Daan maar op zijn sterrenkaart was dit niet zichtbaar. In laats daarvan tekende hij een enkele rivier die begon bij de ster Cor Caroli in het huidige sterrenbeeld Canes Venatici. De rivier droogde op in de buurt van Camelopardalis. In dit gebied plaatste Hevelius later zijn eigen sterrenbeeld Lynx.

Tigris

Het sterrenbeeld Tigris volgens Bartsch
Het sterrenbeeld Tigris volgens Bartsch

Een andere hemelse rivier die niet lang heeft gestroomd is Tigris. Deze rivier had zijn oorsprong in de nek van Pegasus en meanderde tussen Cygnus -Zwaan en Aquila – Arend door om te eindigen vlak bij de rechterarm van Ophiuchus – Slangendrager.

Unicornu

Het sterrenbeeld Unicornu volgens Bartsch
Het sterrenbeeld Unicornu volgens Bartsch

Dit sterrenbeeld werd door Plancius onder de naam Monoceros Unicornis in 1612 op zijn globe geplaatst. Bartsch noemde het Unicornu en Habrecht herstelde in 1628 de naam naar Monoceros. Die naam is sindsdien niet meer veranderd.

Vespa

Het sterrenbeeld Vespa volgens Bartsch
Het sterrenbeeld Vespa volgens Bartsch

Vespa bevond zich boven het lichaam van Aries – Ram. Het sterrenbeeld heeft tijdens zijn bestaan verschillende veranderingen ondergaan. Plancius en Habrecht noemden het Apes – de Bij. Bartsch veranderde dit in Vespa de Wesp. Hevelius zag het als een vlieg en noemde het Musca. Het sterrenbeeld bleef tot in de negentiende eeuw als Musca Borealis bestaan. De sterren werden uiteindelijk teruggegeven aan Aries.

 

Eerste publicatie: 22 mei 2019




%d bloggers liken dit: