Zonnetjes schieten – navigatie

Octant was eeuwenlang onmisbaar bij navigatie

Van de achttiende tot het eind van de twintigste eeuw was de octant een onmisbaar hulpmiddel bij de navigatie.

In de Korsjespoortsteeg in Amsterdam hield in het midden van de achttiende eeuw een zekere Pieter Holm een zeevaartschooltje, genaamd “Schip recht door Zee”. Er bestonden meer van dergelijke particuliere schooltjes, die bij gebrek aan een centrale stuurmansopleiding de enige mogelijkheid boden om buiten de praktijk om en binnen een overzichtelijke termijn de principes van de navigatie onder de knie te krijgen. Het merkwaardige van deze Holm is dat hij er ouderwetse en ontheoretische denkbeelden op nahield. Holms handboek, de Stuurmans Zee-meter werd door een kenner gekwalificeerd als ‘waardeloos’, Holm geloofde niet dat de aarde om haar as draaide en was ook van mening dat de zon om de aarde cirkelde. Bovendien had hij met behulp van de bijbel de ouderdoem van de aarde berekend en voorspeld dat in 1754 de aarde iets vreselijks zou overkomen. Toen in dat jaar Amsterdam door een lichte aardschok werd getroffen leek dat daar een voorbode van. Er brak lichte paniek uit(een jaar tevoren had de grote aardbeving plaatsgevonden die heel Lissabon had verwoest), maar de rust keerde terug toen Holm voorstelde zijn berekeningen te herzien.

Kasboek
Holm zou als een curiosum al lang zijn vergeten als er niet een bijzonder document van hem bewaard was gebleven, het kasboek dat hij bijhield van 1737 tot 1774. Daarin staat precies vermeld wie er bij hem les nam en ook welke instrumenten hij verkocht. Vooral door die laatste posten speelt hij een rol in net onlangs aan de Universiteit van Leiden verdedigde proefschrift van Willem Mörzer Bruyns, conservator van het Nederlands Scheepvaartmuseum in Amsterdam en groot kenner van nautische instrumenten.

Holm verkocht onder andere de octant, een instrument waarmee de hoogte van een hemellichaam boven de kim gemeten kan worden, waaruit men weer de geografische breedte kan berekenen. Dit instrument was in 1731 in Londen uitgevonden en betekende een grote verbetering ten opzichte van eenvoudiger instrumenten met hetzelfde doel zoals de graadstok en het Davidskwadrant. Terwijl de tweede grote uitvinding uit de achttiende eeuw, de tijdmeter, altijd grote aandacht in de literatuur heeft gekregen, is de octant onderbelicht gebleven. Tot het eind van de twintigste eeuw, toen satellietverbindingen positiebepaling mogelijk maakten, bleef de octant een onmisbaar hulpmiddel bij de navigatie.

De octant bestaat uit een v-vormige houten frame. De plaats waar de poten samenkomen kan men opvatten als het middelpunt van een achtste cirkelsector. De uiteinden van de poten zijn verbonden door een metalen cirkelsector waarop een schaalverdeling is aangebracht. Rond het middelpunt draait een metalen wijzer die over de cirkelboog loopt. De stuurman moet via een vizier zijn instrument richten op de horizon en wel op het punt loodrecht onder het te observeren hemellichaam, bijvoorbeeld de poolster of de zon. Via twee spiegeltjes en door de wijzer te draaien kan hij zowel de horizon als het hemellichaam zien. Hij draait de wijzer tot die twee samenvallen en zet de wijzer dan vast. Op de schaalverdeling kan hij vervolgens de hoogte aflezen en na enkele correcties kan hij de breedte vaststellen. Het onderzoek van Mörzer Bruyns richt zich op de manier waarop dit instrument in Nederland is geïntroduceerd en op de snelheid waarmee het gangbaar is geworden bij de VOC, de admiraliteiten en de koopvaardij. Na een inleiding op de navigatietechnieken in de zestiende en zeventiende eeuw en een technische bespreking van het instrument beschrijft hij hoe in Nederland de octant zijn weg vond. Anders dan in Engeland en Frankrijk bestond in Nederland geen wetenschappelijke academie die opdrachten uitschreef om dergelijke instrumenten te maken, te bestuderen of te verbeteren. Er moeten dus andere kanalen zijn geweest die de introductie mogelijk hebben gemaakt. Mörzer Bruyns behandelt ze één voor één: de overdracht via publicaties, via wetenschappelijke contacten, via zeevarenden en tenslotte via het onderwijs.

Musschenbroek
Wetenschappelijke contacten met name met de Royal Society hebben een rol gespeeld. Instrumentmaker Jan van Musschenbroek in Leiden is daarbij van belang geweest. Hij is de eerste die in Nederland een octant te koop aanbood ‘na eene gansch nieuwe uytvinding van den hr. Hadley…’. Zeevarenden lieten zich ook winnen en officieren namen hierbij het voortouw. De VOC kocht octanten aan in 1741 en stelde het vanaf 1748 verplicht voor alle schepen. Ook het onderwijs stimuleerde het gebruik van de octant. Het kasboek van de bovengenoemde Holm is daarvoor een mooie bron.

De vraag naar octanten leidde er toe dat instrumentmakers een gat in de markt zagen. In zijn laatste hoofdstukken behandelt Mörzer Bruyns dan ook de vier belangrijkste octantenmakers in de Republiek, de verschillen in uitvoering (met onderdelen in peren- of ebbenhout, messing, been of ivoor) en hun technische verbeteringen. In een lijst bespreekt hij alle 29 bewaard gebleven octanten van Nederlandse makelij.

Bron:
NRC Handelsblad 8 mei 2004. (Recensie)
W.J.F. Mörzer Bruyns: Schip recht door zee. De octant in de Republiek in de achttiende eeuw.