Space shuttle Discovery

Space shuttle Discovery
Space shuttle Discovery tentoongesteld in het Smithsonian Air and Space Museum in de Amerikaanse hoofdstad Washington. Credit: Smithsonian Air and Space Museum

De Discovery was de derde shuttle die werd gebouwd maar het werd wel de shuttle die de meeste vluchten uitvoerde: 39 in totaal. De Discovery was de shuttle die na de ramp met de Challenger als ook na de ramp met de Columbia als eerste werd gelanceerd.

Tijdens die 39 vluchten naar de ruimte plaatste de Discovery o.a. de Hubble Space Telescope in de ruimte, lanceerde de shuttle de Ulysses die de Zon ging bestuderen en hielp de shuttle mee bij de bouw van het International Space Station.

De Discovery is vernoemd naar twee zeilschepen. Eén van die schepen stond onder commando van Henry Hudson en is het bekendste van de zoektocht uit 1610-1611 naar een doorgang tussen de Atlantische Oceaan en de Pacifische Oceaan. James Cook was kapitein van de andere Discovery toen zijn bemanning als eerste Europeanen in 1778 voet zette op Hawaii.

Discovery in een oogopslag

  • Eerste vlucht: STS-41D, 30 augustus – 5 september 1984
  • Laatste vlucht: 24 februari – 9 maart 2011
  • Aantal vluchten: 39
  • Tijd in de ruimte: 365 dagen, 22 uur, 39 minuten en 33 seconden

Bouw van de Discovery

In 1979 kreeg Rockwell het contract om met de bouw van de Discovery te beginnen. In oktober 1983 verliet de Discovery Palmdale waar hij werd gebouwd. Op 9 november 1993 kwam de shuttle aan op het Kennedy Space Center voor de voorbereidingen voor de eerste vlucht.

Rockwell had ook de testshuttle Enterprise en de eerste twee shuttles, de Columbia en de Challenger, gebouwd en op basis van deze ervaringen wist Rockwell de Discovery aanmerkelijk lichter te maken. In 1995 en in 2002 kreeg de Discovery verschillende upgrades

Afgebroken lancering

Op 26 juni 1984 zou STS-41D gelanceerd worden maar kort voor de lancering werden de motoren door de computer van de Discovery uitgezet toen bleek dan een brandstofklep niet opende zoals dat hoorde.

Enkele minuten later brak er een waterstofbrand uit en werd het automatische blussysteem in werking gezet. De bemanning was aan boord en zag ineens allemaal water langs de ramen drijven. Ze wisten niet goed of ze moesten blijven of dat ze uit de shuttle moesten ontsnappen. Na enige discussie tussen bemanning en de vluchtleiding werd besloten dat ze in de shuttle bleven. Het kostte de NASA verschillende weken om de motoren te repareren. Uiteindelijk werd STS-41D op 30 augustus 1984 gelanceerd met drie satellieten aan boord.

Het was voor het eerst dat een space shuttle lancering kort van te voren werd afgebroken. In totaal zijn er vijf shuttle lanceringen geweest die voortijdig werden afgebroken.

Eerste vluchten en terugkeer naar de vluchten

In de begindagen van het shuttleprogramma wilde de NASA de shuttles met een hoge frequentie lanceren. Discovery maakt in 194 twee vluchten en in 1985 vijf vluchten waarbij verschillende satellieten in de ruimte werden gebracht. Onder deze satellieten de Anik C-1 (Canada), Arabsat-A en Aussat-1 (Australië). Ook maakte de Discovery de eerste van een serie vluchten voor de Amerikaanse defensie.

Maar dit begon allemaal te veranderen na de ramp met de Challenger in 1986. Voor de lanceringen van satellieten werden weer steeds vaker eenmalig bruikbare raketten gebruikt want dat was goedkoper en veiliger. De space shuttle activiteiten werden verlegd naar wetenschappelijk onderzoek en de bouw van het ISS. Maar er was nog steeds een achterstand in het lanceren van satellieten en tijdens de STS-26-missie, de eerste vlucht na de ramp met de Challenger zette de Discovery o.a. een TDRS-satelliet in de ruimte (Tracking and Data Relay satellite). Tijdens deze vlucht ging er iets mis met de verwarming in de cabine van de bemanning waardoor die het, ondanks hun t-shirtjes, het behoorlijk warm kregen.

Na de TDRS zette de Discovery ook de Hubble Space telescope, de Ulysses en de UARS (Upper Atmosphere Satellite) uit in de ruimte en maakte de Discovery enkele vluchten voor defensie.

Wetenschap en ruimtestations

in het midden van de jaren ‘90 werd het wetenschappelijke onderzoek steeds belangrijker. Tijdens STS-42 bracht de Discovery het International Microgravity Laboratory naar de ruimte om de effecten van lage zwaartekracht op mensen en enkele andere kleine passagiers te testen: garnaleneieren, eitjes van fruitvliegen en linzenzaad.

STS-56, ook een wetenschappelijke missie, werd als een gevolg van instrumentele problemen, 11 seconden voor de lancering afgebroken. Op 8 april 1993 ging de lancering wel door en bestudeerde de bemanning de interactie tussen de energie van de Zon en de atmosfeer van de Aarde. Ze gebruikten daarvoor een experiment met de naam Atmospheric Laboratory for Applications and Science (ATLAS-2). De bemanning gebruikte ook de Canadarm om tijdelijk een klein platform met instrumenten in de ruimte te plaatsen dat de zonnewind en de corona van de Zon bestudeerde.

Andere missies

STS-51 werd geplaagd door verschillende technische storingen waardoor de lancering verschillende keren moest worden uitgesteld. De meest spectaculaire was op 12 augustus 1993 toen als gevolg van een defecte brandstofsensor de lancering tijdens het aftellen op 3 seconden stokte. Uiteindelijk werd de missie op 12 september 1993 gelanceerd.

STS-60 met aan boord de eerste Russische kosmonaut in een Amerikaans ruimtevaartuig. Deze vlucht was een belangrijke voorloper voor de latere Mir-space shuttle vluchten.

STS-82, dit was de tweede service missie naar de Hubble Space Telescope.

STS-91 met aan boord de Mercury astronaut John Glenn die op 77 jarige leeftijd zijn rentree in de ruimte maakte.

Na de ramp met de Columbia

In de latere jaren werd de Discovery voornamelijk ingezet voor de bouw van het International Space Station, die bouw werd tijdelijk onderbroken toen in 2003 de shuttle Columbia bij terugkeer naar de Aarde verongelukte. Discovery was de eerste space shuttle die op 26 juli 2005, bijna 2,5 jaar na de ramp met de Columbia, weer zou vliegen.

NASA implementeerde nieuwe veiligheidsprocedures die tijdens STS-114 ingingen. Zo moest de bemanning bijvoorbeeld met behulp van de aangepaste Canadarm de hittetegeltjes inspecteren. Ook installeerde de NASA nieuwe camera’s aan de grond en aan de shuttle die vrijkomend afval tijdens de lancering in de gaten moesten houden.

Omdat er tijdens STS-114 weer schuim losliet, liep het shuttle programma opnieuw vertraging op en de volgende vlucht, STS-121, ging pas op 4 juli 2006 de ruimte in.

De laatste missie van de Discovery was STS-133. Tijdens die missie werd de Permanent Multipurpose Module Leonardo en de Robonaut2 afgeleverd bij het ISS. Op 9 maart 2011 landde de Discovery veilig op Aarde. De space shuttle is na zijn pensionering verhuisd naar het Smithsonian National Air and Space Museum in Washington.

Eerste publicatie: 3 februari 2018
Bron: space.com, NASA